• NL
Librius

Het geld komt bij Librius natuurlijk niet uit de lucht vallen. Aan de inning van de vergoedingen uit collectieve auteursrechten gaat een complex proces vooraf.

Wettelijke vergoedingen: de geldbron van Librius

Reprobel en Auvibel inningen

In het domein van de wettelijke licenties  (reprografie en openbaar leenrecht) ontvangt Librius de vergoedingen die ze verdeelt onder haar leden, van de centrale beheersvennootschap Reprobel en Auvibel. Librius is lid van de Raad van Bestuur en van het Uitgeverscollege van beide beheersvennootschappen, en zorgt er op die manier voor dat Vlaamse boekuitgevers het aandeel uit de pot vergoedingen voor reprografie en leenrecht krijgen dat hen toekomt. Reprobel heeft, als centrale beheersvennootschap, een wettelijke monopolie om de vergoedingen uit reprografie en openbaar leenrecht te innen. Auvibel heeft een gelijkaaridg wettelijk monopolie om vergoedingen uit thuiskopie te innen.

De reprografievergoedingen komen in twee soorten: een ‘ forfaitaire vergoeding’ op de toestellen (voornamelijk multifunctionele kopieertoestellen en faxen) en een ‘ evenredige vergoeding’ op de kopieën die met die toestellen worden genomen. De forfaitaire vergoeding wordt betaald door de invoerders en verdelers van de toestellen (de ‘ bijdrageplichtingen’), de evenredige vergoeding door de grootverbruikers van kopieën (de ‘ vergoedingsplichtingen’, met name de overheid, het onderwijs, de bedrijven, de bibliotheken en de copyshops). Particulieren betalen dus geen vergoeding op de kopieën die ze nemen, tenzij ze dat in een copyshop doen.
 
De vergoeding voor het openbaar leenrecht wordt in de Vlaamse en de Duitstalige Gemeenschap collectief ten laste genomen door de overheid; in Franstalig België int Reprobel rechtstreeks bij de bibliotheken. De vergoeding voor het leenrecht is vastgesteld in een K.B. van 10 december 2012, dat er kwam tien jaar na het verstrijken van de Europese deadline en na een veroordeling van de Belgische Staat door het Europese Hof van Justitie. Het Hof was van oordeel dat het Belgische openbaar leenrecht niet in overeenstemming is met de Europese regels. Het Hof struikelde met name over het feit dat de oude Belgische regeling gebaseerd was op een forfaitaire vergoeding per ingeschreven bibliotheekgebruiker, en niet ook acht sloeg op de collecties van de bibliotheken.

Het koninklijk besluit van 18 oktober 2013 betreffende de thuiskopie vergoeding, stelt de modaliteiten van de inning, de verdeling en het toezicht van de vergoeding vast, evenals het tijdstip waarop deze verschuldigd is. Sinds 1 december 2013, werd de uitzondering voor het kopiëren voor privégebruik uitgebreid tot alle types van werken, inclusief “letterkundige werken”. Het recht op de vergoeding voor het kopiëren voor privégebruik (de thuiskopie vergoeding) komt voortaan toe aan de auteurs, de uitvoerende kunstenaars, de uitgevers van werken van letterkunde en van beeldende of grafische kunst en de producenten van fonogrammen en van audiovisuele werken. Voorheen werd een dergelijke vergoeding enkel geïnd voor muziek en film dus deze wettelijke aanpassing was zeer wenselijk in het licht van de digitale ontwikkelingen die zich ook in de boekensector manifesteren.

Reprobel en Auvibel verdelingen

De reprografievergoeding en de privékopievergoeding komt wettelijk bij helften aan de auteurs en aan de uitgevers toe. De leenvergoeding komt wettelijk voor 70% toe aan auteurs, en voor 30% aan uitgevers. Dat noemen we de ‘ primaire verdeling’.

Reprobel en Auvibel keren die vergoedingen echter niet rechtstreeks aan individuele auteurs en uitgevers uit. Ze doet via een reeks beheersvennootschappen van auteurs (SABAM, SACD/SCAM, SOFAM, VEWA, …) en van uitgevers (waarvan Librius er één is).  De beheersvennootschappen behoren, naargelang het geval, tot het Auteurscollege of het Uitgeverscollege van Reprobel/Auvibel. In die colleges onderhandelen de beheersvennootschappen onder elkaar over de verdeling van de vergoedingen per type van werk (letterkundig, fotografisch werk) of per drager (uitgevers: boeken, tijdschriften, kranten, partituren en andere dragers). Die onderhandelingen resulteren in verdeelakkoorden die samen de ‘secundaire verdeling’ vormen.

De beheersvennootschappen keren het deel dat hen op die manier wordt toegewezen, vervolgens uit aan de auteurs en uitgevers die bij hen zijn aangesloten.
Dat is de ‘tertiaire verdeling’, meteen ook de laatste stap in het verdeelproces. Wat Librius betreft, vindt u meer hierover in de subsectie ' verdeling van de vergoedingen'.

Librius eist bij Reprobel en Auvibel de vergoedingen op die haar op gezette tijdstippen worden ter beschikking gesteld. Dat gebeurt via een voorlopige terbeschikkingstelling op het einde van het boekjaar (inningen Reprobel over de eerste negen maanden van het lopende boekjaar) en via een definitieve terbeschikkingstelling in de zomer van het boekjaar nadien (inningen Reprobel over de laatste drie maanden van het voorbije boekjaar en definitieve goedkeuring van de bedragen over dat boekjaar). Daarnaast ontvangt Librius van Reprobel ook vergoedingen afkomstig uit het buitenland (waar immers ook werken van de leden van Librius worden gekopieerd) en uit haar reserves, die periodiek vrijkomen (de zogenoemde ‘ bedragen in afwachting’).